In het kort
- Onder het huidige Nederlandse erfrecht (sinds 2003) zijn schenkingen aan een erfgenaam alleen verplicht in te brengen wanneer de erflater dit heeft voorgeschreven (art. 4:229 BW).
- Schenkingen van vóór 1 januari 2003 moeten op grond van het oude erfrecht in beginsel wel worden ingebracht, tenzij de erflater dat heeft uitgesloten.
- Inbreng houdt in dat de waarde van de gift in mindering komt op het aandeel van de begiftigde in de nalatenschap (art. 4:233 BW); de gift hoeft niet daadwerkelijk te worden teruggegeven.
- Inbreng is niet verplicht voor zover de waarde van de gift het aandeel van de erfgenaam overstijgt.
- Inbreng tussen erfgenamen is iets anders dan de bijtelling van giften bij de legitimaire massa (art. 4:67 BW).
Dit praktijkvoorbeeld is geanonimiseerd en gebaseerd op meerdere zaken uit onze praktijk.
Wat was de situatie?
Drie volwassen kinderen waren erfgenaam van een ouder. De nalatenschap bestond uit een banktegoed, een beleggingsportefeuille en wat persoonlijke goederen, samen ongeveer zes ton. Op het eerste gezicht leek de verdeling overzichtelijk: ieder kind een derde.
Tijdens een eerste gesprek met het notariskantoor kwam echter naar voren dat één van de kinderen jaren eerder een aanzienlijke schenking had ontvangen om een woning te kopen. Een ander kind had financiële steun gekregen voor een eigen onderneming. De derde had nooit een schenking ontvangen.
De drie kinderen verschilden van mening over de gevolgen voor de verdeling. De erfgenaam zonder schenking vond dat de verdeling de eerdere ongelijkheid moest rechttrekken. De begiftigde kinderen voerden aan dat de schenkingen een persoonlijk gebaar van de overledene waren geweest, niet bedoeld als voorschot op de erfenis. Het testament zei niets specifieks over inbreng, en bij de schenkingen waren ook geen voorwaarden vastgelegd.
Wat speelt er juridisch?
De wettelijke regeling voor inbreng van giften staat in art. 4:229 BW en is sinds 1 januari 2003 fundamenteel anders dan onder het oude erfrecht. Onder het huidige recht zijn erfgenamen alleen verplicht een schenking in te brengen wanneer de erflater dat uitdrukkelijk heeft voorgeschreven, hetzij in de schenkingsovereenkomst zelf, hetzij in zijn testament. Zonder een dergelijke bepaling geldt geen inbrengverplichting.
Deze omkering ten opzichte van het oude recht is voor veel mensen onbekend. Onder het tot 2003 geldende erfrecht moest een gift in beginsel automatisch worden ingebracht, tenzij de erflater dat had uitgesloten. Sinds de wetswijziging is het uitgangspunt het tegenovergestelde: gelijkheid tussen erfgenamen is geen wettelijk vermoeden meer, maar een keuze die de erflater bewust moet maken.
Voor giften die voor 1 januari 2003 zijn gedaan blijft het oude recht relevant. Deze giften moeten in beginsel wel worden ingebracht, tenzij de erflater dat destijds heeft uitgesloten. In de praktijk komt het regelmatig voor dat decennia oude giften alsnog in een verdeling worden betrokken.
De inbreng werkt rekenkundig: de waarde van de gift wordt bij de te verdelen nalatenschap opgeteld, het totaal door het aantal erfgenamen gedeeld, en de gift in mindering gebracht op het aandeel van de begiftigde (art. 4:233 BW). De begiftigde geeft de gift niet daadwerkelijk terug; inbreng is niet verplicht voor zover de gift zijn aandeel overstijgt.
Inbreng tussen erfgenamen moet niet worden verward met het meetellen van giften bij de berekening van de legitimaire massa op grond van art. 4:67 BW. Dit zijn twee verschillende instrumenten met eigen voorwaarden. Voor een algemene introductie op het Nederlandse erfrecht verwijzen wij naar onze hoofdpagina.
Hoe pakt een advocaat dit aan?
In dit soort zaken begint een erfrecht advocaat met twee feitelijke vragen. De eerste is of er een inbrengbepaling bestaat: in de schenkingsovereenkomst, een ondertekende verklaring of het testament. De tweede is wanneer de schenking is gedaan, gelet op de scheiding tussen oud en huidig erfrecht per 1 januari 2003. Zonder duidelijkheid over deze twee vragen is een verdelingsvoorstel niet betrouwbaar.
In de meeste zaken wegen wij twee routes tegen elkaar af. De eerste is een minnelijk verdelingsvoorstel waarin de inbreng wordt meegenomen wanneer daar een wettelijke basis voor is. Deze route biedt de meeste flexibiliteit en houdt familieverhoudingen overeind: erfgenamen kunnen samen besluiten welke schenkingen wel en welke niet worden verrekend, ook als de wet dat strikt genomen niet vereist. De tweede route is een verdelingsprocedure bij de rechter op grond van art. 3:185 BW, waarin de inbrengvraag onderdeel wordt van een gerechtelijke verdeling.
Tussen beide ligt een derde optie wanneer geen wettelijke inbrengplicht bestaat: een beroep op de redelijkheid en billijkheid die op grond van art. 3:166 lid 3 BW de rechtsverhouding tussen deelgenoten beheerst. Deze route is juridisch zwakker en hangt af van de omstandigheden, maar kan in uitzonderlijke gevallen tot een correctie leiden. Voor wie nog oriënteert op de juridische positie zonder direct een dossier te openen, biedt een adviesgesprek de gelegenheid de zaak vooraf juridisch te wegen.
Wat zien wij vaker in dit soort zaken?
In dossiers met schenkingen tijdens het leven van de erflater zien wij vaker dat het ontbreken van expliciete inbrengbepalingen de kern van het conflict vormt. Schenkingen worden in de praktijk zelden vergezeld van een schriftelijke verklaring waarin staat of inbreng wel of niet is bedoeld. Het testament zwijgt vaak over de inbrengvraag of bevat een algemene formulering die geen uitsluitsel geeft. Door deze leemte botsen na het overlijden de verwachtingen van begiftigde en niet-begiftigde erfgenamen, met als ongeschreven achtergrond de vraag wat de overledene werkelijk had bedoeld.
In dossiers waarbij oude schenkingen aan de orde komen, zien wij vaker dat erfgenamen en begiftigden geen onderscheid maken tussen schenkingen van vóór en na 1 januari 2003. Voor schenkingen die decennia geleden zijn gedaan kan onder het oude recht alsnog inbrengplicht gelden, terwijl recente schenkingen onder het huidige recht meestal vrij zijn van inbreng. Dat juridische onderscheid is voor de uitkomst soms doorslaggevend.
Vroegtijdig juridisch advies maakt in dit type zaken een groot verschil. Door eerst de inbrengvraag te beantwoorden voordat een verdelingsvoorstel op tafel komt, voorkomt men dat onderhandelingen op een verkeerd uitgangspunt rusten. Erflaters hadden hun erfgenamen veel kunnen besparen door bij elke substantiële schenking expliciet vast te leggen of inbreng is bedoeld, en door in hun testament de inbrengvraag voor giften na 2003 ondubbelzinnig te regelen.
Herkent u deze situatie?
In een adviesgesprek brengen wij uw juridische positie in kaart en bespreken wij welke routes er zijn. Na uw aanmelding neemt ons secretariaat binnen een werkdag contact met u op.
Bespreek uw situatie met ons


