In het kort
- Een onterfde legitimaris heeft recht op de legitieme portie, ook wanneer de erflater de gehele nalatenschap aan de stiefouder heeft nagelaten (art. 4:63 BW).
- De erflater kan in het testament bepalen dat de legitieme portie niet opeisbaar is zolang de stiefouder leeft (art. 4:82 BW).
- Een niet-opeisbare legitieme portie ontstaat wel als vorderingsrecht en wordt vermeerderd met rente, tenzij de erflater anders heeft bepaald (art. 4:84 BW).
- De aanspraak op de legitieme portie moet binnen vijf jaar na het overlijden worden ingeroepen, ook als de vordering pas later opeisbaar wordt (art. 4:85 BW).
- Giften die de erflater tijdens zijn leven aan de stiefouder heeft gedaan, kunnen meetellen bij de berekening van de legitimaire massa (art. 4:67 BW).
Dit praktijkvoorbeeld is geanonimiseerd en gebaseerd op meerdere zaken uit onze praktijk.
Wat was de situatie?
Een volwassen kind ontdekte na het overlijden van een ouder dat de ouder enkele jaren eerder was hertrouwd. Bij het hertrouwen was een nieuw testament opgesteld waarin de tweede echtgenoot, ouder en nieuwe stiefouder van het kind, tot enig erfgenaam was benoemd. Het kind was daarmee feitelijk onterfd, met als enige aanspraak de legitieme portie.
Het testament bevatte echter een specifieke clausule die de juridische positie complex maakte. De legitieme portie zou pas opeisbaar zijn na het overlijden van de stiefouder. De stiefouder was op dat moment nog vitaal en had naar verwachting nog vele jaren te leven. Het kind kreeg dus theoretisch wel een aanspraak, maar zou daar in de praktijk pas op latere leeftijd, mogelijk pas op pensioenleeftijd, gebruik van kunnen maken.
Bovendien speelde een tweede vraag mee. De ouder had in de jaren voor het hertrouwen aanzienlijke schenkingen gedaan, deels aan de toekomstige stiefouder, deels aan andere familieleden. Of die schenkingen meetelden bij de berekening van de legitieme portie was nog niet duidelijk.
Wat speelt er juridisch?
De legitieme portie is het wettelijk gegarandeerde minimumdeel van een kind in de nalatenschap van een ouder, ook wanneer dat kind in het testament is onterfd. Een onterfd kind kan dus aanspraak maken op de legitieme portie, ongeacht aan wie de erflater zijn nalatenschap heeft nagelaten. Bij een hertrouwde ouder met een testament ten gunste van de stiefouder geldt dit onverkort.
De wet kent twee regels die de timing van de uitkering beïnvloeden. Op grond van art. 4:82 BW kan de erflater in zijn testament bepalen dat de vordering uit de legitieme portie niet opeisbaar is zolang de stiefouder leeft. Deze opeisbaarheidsclausule wordt vaak in testamenten opgenomen om de stiefouder financieel te beschermen na het overlijden van de erflater. Een soortgelijke regeling geldt op grond van art. 4:83 BW voor een geregistreerd partner of andere partner van de erflater.
De vordering ontstaat ondanks de niet-opeisbaarheid direct bij het overlijden. Op grond van art. 4:84 BW wordt zij vermeerderd met rente, tenzij de erflater anders heeft bepaald. Over een lange periode kan dit de oorspronkelijke vordering substantieel doen toenemen.
Voor de berekening van de legitimaire massa zijn ook giften relevant. Op grond van art. 4:67 BW tellen giften aan afstammelingen in beginsel altijd mee, en giften aan derden zoals een toekomstige stiefouder als zij binnen vijf jaar voor het overlijden zijn gedaan.
De aanspraak vervalt op grond van art. 4:85 BW als deze niet binnen vijf jaar na het overlijden wordt ingeroepen. Voor een algemene introductie op het Nederlandse erfrecht verwijzen wij naar onze hoofdpagina.
Hoe pakt een advocaat dit aan?
In dit soort zaken begint een erfrecht advocaat met het scheiden van twee vragen die in de praktijk vaak door elkaar lopen: wat is de aanspraak van de legitimaris, en wanneer wordt deze opeisbaar. De aanspraak ontstaat direct bij het overlijden, los van de vraag wanneer er feitelijk geld op de rekening komt.
In de meeste zaken wegen wij twee routes tegen elkaar af. De eerste is tijdig formeel aanspraak maken op de legitieme portie, ook wanneer de vordering door een opeisbaarheidsclausule pas later opeisbaar wordt. Deze route houdt het recht in stand: de vordering is dan vastgesteld, kan worden vermeerderd met rente op grond van art. 4:84 BW, en gaat na het overlijden van de stiefouder over op de erfgenamen van de legitimaris als deze in de tussentijd zelf zou overlijden. De tweede route is niet handelen en de termijn van vijf jaar laten verlopen. Deze route lijkt aantrekkelijk wanneer de relatie met de stiefouder goed is en een conflict ongewenst, maar leidt onherroepelijk tot verval van de aanspraak.
Tussen deze twee routes door bestaat in de praktijk vaak ruimte voor een minnelijke regeling: een gedeeltelijke uitkering nu in ruil voor afstand van de toekomstige vordering. Of een dergelijke regeling passend is, hangt af van de levensverwachting van de stiefouder, de hoogte van de vordering en de aard van de familieverhoudingen. Voor wie nog oriënteert op de juridische positie zonder direct een dossier te openen, biedt een adviesgesprek de gelegenheid de zaak vooraf juridisch te wegen.
Wat zien wij vaker in dit soort zaken?
In nalatenschappen waar een ouder is hertrouwd en de eigen kinderen heeft onterfd ten gunste van de stiefouder, ontstaat een spanning tussen drie belangen: de wens van de erflater om de stiefouder financieel te beschermen, de aanspraak van de eigen kinderen op het wettelijke minimum, en de relatie tussen kinderen en stiefouder die nog jaren of decennia kan voortduren.
In dossiers met een opeisbaarheidsclausule zien wij vaker dat legitimarissen aarzelen om aanspraak te maken. De redenering klinkt begrijpelijk: hun vordering wordt pas later opeisbaar, dus actie nu lijkt overbodig. Het probleem is dat de vijfjaarstermijn van art. 4:85 BW onverkort geldt, ook bij niet-opeisbaarheid. Wie pas na zes jaar handelt, ontdekt dat zijn aanspraak inmiddels is vervallen, ongeacht hoeveel decennia de stiefouder nog te leven heeft.
Een tweede patroon: schenkingen aan de stiefouder of aan andere familieleden in de aanloop naar het hertrouwen of in de jaren erna. Deze schenkingen zijn voor de berekening van de legitimaire massa relevant, maar zijn vaak alleen op te sporen via een grondige analyse van bankafschriften en fiscale stukken.
Vroegtijdig juridisch advies maakt in dit type zaken een groot verschil. Door de aanspraak tijdig formeel vast te leggen, voorkomt een legitimaris dat de vijfjaarstermijn wordt overschreden, ook als de feitelijke uitbetaling pas later volgt. Erflaters hadden hun kinderen veel kunnen besparen door bij het hertrouwen helder te communiceren over hun testamentaire plannen, zodat alle betrokkenen weten waar zij aan toe zijn.
Herkent u deze situatie?
In een adviesgesprek brengen wij uw juridische positie in kaart en bespreken wij welke routes er zijn. Na uw aanmelding neemt ons secretariaat binnen een werkdag contact met u op.
Bespreek uw situatie met ons


